Het staat mooi, zo’n medaillespiegel. Maar wat zegt die nu eigenlijk? In de basis tellen we simpelweg goud, zilver en brons op en rangschikken landen op basis van aantallen. Daarmee lijkt het oordeel helder: wie bovenaan staat, heeft het beste gepresteerd. Maar die eenvoud verhult meer dan ze laat zien.
Want hoe verhouden die medailles zich tot het aantal atleten, tot het aantal teams, en vooral: tot het aantal échte kansen op eremetaal?
Om dat te analyseren is de klassieke medaillespiegel ontleed aan de hand van vier invalshoeken:
-
Aantal atleten dat daadwerkelijk op een startlijst stond
-
Aantal atleten exclusief teams
-
Aantal atleten inclusief alle teams
-
Totaal aantal medaillekansen
Medailles per atleet op de startlijst
We beginnen bij het meest voor de hand liggende: hoeveel atleten kwamen per land daadwerkelijk in actie? Daarbij is bewust gekeken naar atleten die ook echt op een startlijst verschenen. Reserves zijn buiten beschouwing gelaten, omdat zij geen medaillekans hadden.
Dat verschil is niet onbelangrijk. Zo werd Noorwegen vaak genoemd met 80 atleten, terwijl er in werkelijkheid 75 daadwerkelijk op de startlijst stonden. Een afwijking van ruim 7%, die de verhouding tussen atleten en medailles direct beïnvloedt.
Wanneer we het aantal behaalde medailles afzetten tegen het aantal actieve atleten, ontstaat een interessant beeld. Noorwegen wint percentueel de meeste medailles, maar Nederland springt eruit met het hoogste aandeel goud én zilver. Beide landen zijn bovendien de enigen die boven de 50% uitkomen: meer dan de helft van hun atleten keerde huiswaarts met een medaille.
Dat beeld wordt versterkt doordat meerdere medailles door dezelfde atleten werden gewonnen. Neem Klaebo, Oftebro en Van 't Wout bijvoorbeeld. Met een relatief kleine ploeg van 38 atleten zorgden zes Nederlandse sporters voor dertien medailles. Kwaliteit weegt hier zwaarder dan kwantiteit. Hier opvolgend is ook de groei van Japan en Nieuw-Zeeland opvallend. Voornamelijk Nieuw-Zeeland stoot omhoog door de 'slechts' 17 atleten die 3 medailles bij elkaar gesport hebben. Dit geldt eveneens voor de Spaanse ploeg van 20 atleten die ook met 3 medailles naar huis gingen.
Aan de andere kant zien we landen als de Verenigde Staten en Canada sterk zakken. Grote delegaties van meer dan 200 atleten leiden niet automatisch tot een hoog rendement. Om het Noorse percentage te evenaren zouden de VS meer dan 120 medailles nodig hebben. Om het Nederlandse goudpercentage te bereiken zouden hiervan 60 goud moeten zijn. Een onrealistisch aantal. Andere dalers op de lijst zijn onder meer Zwitserland, Finland en Tsjechië, waarbij met een relatief grote groep atleten percentueel weinig medailles behaald werden. Daarbij is het verschil erg klein tussen landen onderling, Nederland en Noorwegen steken er ruim bovenuit en tussen nummer 3 Japan en 17 Slovenië zit 8 procent verschil. Waarbij de landen tussenin bij één extra medaille nog gemakkelijk posities konden stijgen. Denemarken is de hekkensluiter met één medaille op 39 atleten waardoor het percentage uitkomt op 2,56%.
Dat onderstreept hoe uitzonderlijk efficiënt Nederland en Noorwegen opereerden.
Correctie voor teams: wanneer is een atleet geen individuele kans?
Toch is ook deze benadering onvolledig. Niet iedere atleet vertegenwoordigt immers een zelfstandige medaillekans. In teamsporten zoals ijshockey strijden 25 sporters samen om één medaille. Hetzelfde geldt voor onder meer bobsleeën, curling, kunstschaatsen en bepaalde rodels- en schaatsnummers.
Neem Tsjechië: op papier een ploeg van 116 atleten, maar daarvan zijn er 48 ijshockeyers. In werkelijkheid voegen zij slechts twee medaillekansen toe (mannen en vrouwen). Door atleten binnen één team samen te voegen tot één “kans”, komt Tsjechië uit op 63 atleten/teams en stijgt het rendement aanzienlijk. Hierdoor is de Tsjechische ploeg gecorrigeerd net zo groot als bijvoorbeeld Australië of Groot-Brittannië.
Om dus tot een analyse te komen van aantal medailles per atleet moet dus gekeken worden naar het aantal individuele atleten en teams. Hierdoor komt het Tsjechische team uit op een totaal aantal atleten/teams van 63 en heeft deze delegatie dus per atleet/team een hoger aantal medailles gehaald.
In onderstaand grafiek is dus een verdeling gemaakt van het aantal atleten, hierbij zijn voor de volgende sporten atleten uit hetzelfde team gezien als 1 atleet:
- IJshockey (mannen- en vrouwenteam);
- Bobsleeën (twee- en viermansbob);
- Rodelen (dubbel);
- Kunstschaatsen (paar en ijsdansen);
- Curling (mannen- en vrouwenteam).
Na deze correctie klimt de Verenigde Staten weer richting de top 10. De ploeg krimpt van 230 naar 142 atleten/teams, een reductie van bijna 40%. De equipe is hierdoor nog maar twee maal zo groot als Noorwegen in plaats van drie. Hierdoor zakt Nieuw-Zeeland ook weer terug naar positie tien, door het zenden van alleen individuele atleten en geen teams.
Noorwegen blijft overtuigend bovenaan, Nederland behoudt het hoogste goudpercentage, en Zweden stijgt opvallend door deelname aan veel teamsporten. Hierdoor heeft de nummer 3 ook een totaalpercentage van 34,62%. Wat hoger is dan Japan bij totaal aantal atleten welke op 19% kwamen. De Noorse en Nederlandse equipe hebben met veel individuen meegedaan waardoor de andere landen procentueel dichterbij komen, al scheelt het nog meer dan 20%. Nog steeds meer kwaliteit dan kwantiteit.
Atleten én teams samen: meer kansen ≠ meer rendement
Maar ook hier wringt het. Sommige sporters doen uitsluitend mee in teamverband, terwijl anderen zowel individueel als in teams starten. Denk aan de ploegenachtervolging in het schaatsen of relay-nummers in het shorttrack. Goede individuen vormen niet automatisch een goed team, samenwerking kan doorslaggevender zijn dan individuele klasse. Zie hiervoor de ploegenachtervolging bij het schaatsen of de mixed relay met shorttrack. Nederland stuurden jaren bij het schaatsen de beste schaatsters naar de ploegenachtervolging, wat niet leidde tot succes. Maar ook dit jaar waar Van 't Wout en Velzenboer de koning en koningin bij het shorttrack waren, maar bij de mixed relay met lege handen bleven.
Daarom is in een volgende stap elk individu én elk team als aparte entiteit meegeteld. Een schaatser telt dan één keer individueel en een tweede keer als onderdeel van een team. Het gevolg: Nederland stuurt 38 atleten, maar vormt in totaal 45 atleten/teams en dus 45 medaillekansen.
Het resultaat is logisch maar confronterend: Nederland en Noorwegen zakken nu onder de 50% rendement. Maar ook andere landen zakken weer flink met percentages, de nummer 3 is weer Japan die relatief meer individuele atleten heeft die minder in teamverband evenementen mee konden doen dan Zweden. Dit in onder meer snowboarden en freestyleskiën waar minder teamonderdelen zijn dan in het langlaufen en biatlon. Hetzelfde is te zien bij de stijging van Zuid-Korea, veel individuele onderdelen in plaats van teamverband. De Verenigde Staten heeft met veel sporten ook teams gevormd naast de individuele atleten. Dit bij onder meer het alpineskiën, hierdoor zakt de Verenigde Staten weer naar de tiende plek met een atleten/teamtotaal van 185. Bij deze ploeg zijn door de 120 individuele atleten ongeveer 40 teams onderling opgetuigd en daalde de VS weer fors in winstpercentage. Veel teams samenstellen betekent niet automatisch meer succes.
Integendeel: alle landen behaalden zonder teamcombinaties zelfs een hoger rendement. Logisch, meer entiteiten is een lager percentage. Terwijl teams van individuen ook juist kunnen zorgen voor meer successen. Voorbeeld hiervan is Groot-Brittannië bij zowel de mixed snowboardcross als mixed skeleton behaalde de equipe goud. Zo is ook te zien dat Groot-Brittannië percentueel minder daalt dan andere landen.
Medailles per medaillekans: de scherpste maatstaf
De laatste stap is misschien wel de meest zuivere: het aantal behaalde medailles afgezet tegen het aantal medaillekansen. Hier tellen niet alleen atleten of teams, maar elk startmoment waarop daadwerkelijk om eremetaal werd gestreden.
Atleten als Klaebo, Stolz en Von Allmen hadden meerdere kansen; een ijshockeyteam slechts één. Ook landen kunnen per onderdeel meerdere kansen hebben, zoals Duitsland bij het schansspringen, waar vier atleten op twee schansen actief waren plus een teamwedstrijd (in totaal dus 9 kansen). Bij de mannen hebben de Duitsers dus in totaal negen kansen op eremetaal bij het skischansspringen. Veel meer kansen dan het ijshockeyteam die uit 25 atleten bestaat en maar 1 kans heeft.
Wanneer we deze kansen tellen, staat Nederland bovenaan. Maar liefst 31,75% van alle Nederlandse medaillekansen leverde een medaille op. Gemiddeld dus één medaille per drie starts. Noorwegen volgt met één op vier. Voor het goud had Nederland een percentage van 15,87%, voor elke 7 kansen dus één goud. Hoewel Nederland veel kansen had op medailles bij het schaatsen waren bij het langlaufen veel meer medaillekansen. Met 9 atleten had Noorwegen maar liefst 34 kansen op eremetaal. Bij het schaatsen had Nederland met 17 schaatsers 34 kansen. Evenveel kansen met minder atleten.
Niet wintersportlanden en dus ook alleen vertegenwoordigd met atleten in individuele onderdelen die uitkomen in maximaal 1 onderdeel en zo maar 1 medaillekans krijgen. Spanje stijgt hierdoor naar een zevende plaats met 24 medaillekansen met 20 atleten/teams, zeer weinig dubbelingen. Nieuw-Zeeland, Denemarken en Frankrijk zitten aan de andere kant van de medailles. Die hebben relatief veel sporters die meedoen op meerdere onderdelen, maar hierdoor niet meer medailles wonnen ondanks meer medaillekansen. Ook Georgië stijgt flink, van de slechts 9 kansen op een medaille werd één zilveren medaille gepakt waardoor een winstpercentage van 11,11% uitkomt.
Onderin zijn vooral Kazachstan, België en Letland te vinden. Van deze landen was slechts 1% van de medaillekansen raak. Van de grote ploegen van meer dan 100 medaillekansen zijn Polen en Tsjechië die op plek 24 en 25 te vinden zijn met maar 3-4% medaillewinst. Voor Nieuw-Zeeland geldt dat op basis van aantal atleten ze veel gewonnen hebben (17,65%), echter hebben veel atleten meerdere onderdelen meegedaan en komen ze tot 10,71 winstpercentage en zakken ze van plek 4 naar plek 12.
conclusie
Welke correctie je ook toepast, één conclusie blijft overeind: Nederland en Noorwegen zijn structureel efficiënter dan de rest. Niet omdat zij de meeste atleten of kansen hebben, maar omdat zij hun kansen beter benutten.
Grote delegaties zorgen voor zichtbaarheid en breedte, maar leveren zelden een hoog rendement op. Kleine, gerichte ploegen met atleten die op meerdere onderdelen tot de absolute top behoren, blijken succesvoller.
Dat betekent niet dat kwantiteit zinloos is — exposure kan een sport laten groeien en onverwachte successen opleveren. Maar in Milaan 2026 gold vooral: kwaliteit wint.
Of anders gezegd: soms is één scherp gemikte pijl genoeg.
En in dat opzicht was Nederland niet alleen succesvol, maar vooral uitzonderlijk trefzeker.
Nederland als Koning winter. Niet door volume, maar door precisie. Al kan een land zeker proberen om met meerdere sporten en dus kwantitatiever voor meer kwaliteit te gaan.
Reactie plaatsen
Reacties